De geschiedenis van de stadsmuur
De geschiedenis van de stadsmuur
De vestingwerken van Sluis deel 1 - ’t Steenen werk ter zeewaart’
Sluis is tegenwoordig een klein, toeristisch stadje in de westhoek van Zeeuws-Vlaanderen, op een steenworp afstand van de grens met België. Maar in de middeleeuwen was het een plaats van groot economisch en militair-strategisch belang. Als toegangshaven van het machtige Brugge lag het op een strategisch punt, tussen Vlaanderen en Engeland. Sluis was een drukke, levendige handelsstad waar kooplieden uit alle windstreken te vinden waren. Daar hoorden stevige vestingwerken bij, en dat voelden de poorters jarenlang in hun portemonnee.
Stadsrechten kreeg Sluis in 1290 en werd daarmee een echte stad. Een stad die bezocht werd door royalty: Filips de Goede (1396-1467), hertog van Bourgondië, trouwde hier in 1430 met Isabella van Portugal (1397-1471). Zijn opvolger Karel de Stoute (1433-1477) vierde hier in 1468 zijn verloving met Margaretha van York (1446-1503). De stad bouwde zelfs een belfort. Zo’n grote, hoge klokkentoren was er om macht en prestige uit te stralen en dat had Sluis wel. Waar in België meerdere steden, waaronder Brugge, een belfort hadden, is Sluis de enige stad in Nederland die ooit een belfort had.
Zo’n belangrijke positie had ook nadelen. In 1340 had hier al een zeeslag plaatsgevonden, maar hier had Sluis zelf niet onder geleden. Maar in 1379 trokken troepen van Gent, Brugge en Ieper Sluis binnen, om de controle over deze strategische zeehaven en tolplaats te veroveren. Alleen de betaling van een enorme som geld hield hen van verwoesting van de stad af. Sluis had toen al wel enige versterkingen, maar die waren kennelijk niet van veel nut. Drie jaar later, in 1382, vond in Vlaanderen de Slag bij Westrozebeke plaats. Het Franse leger versloeg troepen van een aantal opstandige Vlaamse steden. De graaf van Vlaanderen en daarmee landsheer van Sluis, Lodewijk van Male (1330-1384), besloot hierop om Sluis in deze tijden van oorlog de versterking te geven die het verdiende. Aan de noordzijde van de stad kwam allereerst een groot kasteel, ook daadwerkelijk het Groot Kasteel genoemd. Het was het begin van een vele decennia durende campagne om wallen en een muur te bouwen.
Bouw van de vestingwerken
Dat ging niet allemaal in één keer, maar in fasen. Als eerste was de landzijde aan de beurt. Hier kwam een gracht met een aarden wal te liggen, met een houten palissade, houten poorten en waltorens. Nadat dit in 1392 gereed kwam volgde de kant van het Zwin. In 1418-1419 was de aarden wal ook hier grotendeels voltooid. Om de muur te beschermen tegen het water van het Zwin bracht men voor de muur ook nog een dijk aan. Toen was het tijd om de houten poorten te vervangen door stenen poorten. In 1425 begon de bouw van de Oostpoort, onder leiding van meestermetselaar Joris Lietac. Deze kreeg vier enorme torens, waaraan opnieuw enorme sommen geld werden besteed en waarvoor de bevolking kon krom liggen.
In 1432 werd begonnen met de bouw van een stenen muur aan de kant van het Zwin, ‘’t Steenen werk ter zeewaart’. De inwoners van Sluis moesten gedwongen meehelpen met de bouw. De ‘onwilligen’, zo vermeldt de geschiedschrijver Van Dale, over wie we het hieronder nog meer zullen hebben, werden ‘met ’s heeren knapen tot hun plicht gebracht’. De ‘knapen’, oftewel de ordedienst van de stad, zullen hun methoden hebben gehad om degenen die niet wilden meegraven op andere gedachten te brengen.
In 1437 belegerde Brugge het stadje, maar weinig is hierover bekend. In de stadsrekeningen van latere jaren staat wel iets vermeld over de verwoestingen, door het geschut van de vijand aangebracht. De nieuwe muur was beschoten, de toren van de Okkerdam en die van de poort aan de Visscherssteeg hadden aanmerkelijke schade geleden. De Westpoort was vernield.
Rond 1450 was het grootste deel van het werk af. Aan de landzijde had de stad een aarden wal liggen, aan de rivierzijde een stenen muur. 12 stadspoorten gaven toegang tot de stad: drie aan de landzijde – de West-, Oost- en Zuidpoort – en negen aan de Zwinkant – Poort ter passage, Onze Vrouwepoort, Sint Janspoort, Sint Jakobspoort, Sint Nikolaaspoort, Poort aan de Nieuwe steeg, Sint Annapoort, Sint Jorispoort en Visserssteegpoort. Alleen de in de oorlog van 1437 vernielde delen, zoals de Westpoort, moesten weer worden hersteld.

Het monnikenwerk van Van Dale
We weten dit allemaal uit het uitzoekwerk van de negentiende-eeuwse stadsarchivaris Johan Hendrik van Dale (1828 – 1872). Deze in Sluis geboren onderwijzer en archivaris kennen we allemaal van naam, hij is de man achter het Groot woordenboek der Nederlandse taal, of de Dikke van Dale. Naast dit grote werk vond hij ook nog tijd om het stadsarchief in te duiken en in 1871 het boek Een blik op de vorming der stad Sluis en op den aanleg harer vestingwerken van 1382 tot 1587 uit te brengen. Via Google Books is het boek integraal te downloaden en te lezen, zie de link onderaan deze pagina. Maar pas op: als een echte negentiende-eeuwse archivaris was Van Dale verzot op details, heel veel details, en maalde hij niet om zoiets als leesbaarheid. Vele tientallen pagina’s lang gaat Van Dale door over de enorme kosten van de werken en over de manieren waarop de poorters van Sluis het geld hiervoor moesten opbrengen. Een ding wordt uit zijn boek in ieder geval duidelijk: de poorters van Sluis moesten decennia lang krom liggen om de vestingwerken gebouwd te krijgen.
Op zoek naar geld
De landsheer was dan wel de opdrachtgever, hij zat zelf in geldnood en droeg vrijwel niets bij. Uit alle hoeken en gaten probeerden de poorters het geld bijeen te brengen, via belastingen, leningen en loterijen. Loterijen? Jawel, in 1444 mocht Sluis twee loterijen houden waar mooie geldprijzen mee gewonnen konden worden. Wat overbleef aan geld, 1.357 pond, werd besteed aan de Westpoort waarvan de bouw net begonnen was. Maar de bevolking zuchtte onder de financiële last. Zoals Van Dale het verwoordde: ‘De vestingwerken van Sluis waren de afgrond, waarin alle fondsen der stad, op welke wijze verkregen door loterijen, vrijwillige of gedwongene leeningen, verkoop van lijfrenten voor één of twee levens verloren gingen.’
De kaart van Braun en Hogenberg
De cartografen Georg Braun en Frans Hogenberg namen Sluis op in hun stedenatlas Civitates Orbis Terrarum, die in zes delen verscheen tussen 1572 en 1617. Hier zien we de vestingwerken op afgebeeld. Ze omgeven enkele honderden huizen en vooral veel onbewoonde landerijen. Maar hoe betrouwbaar is hun afbeelding? De stadsmuur aan de kant van het Zwin lijkt niet erg hoog of weerbaar. Aan de linkerkant, tegen het Groot Kasteel aan, houdt de muur ineens op en leidt een weg zo om de muur heen, de stad in. Het valt te betwijfelen of Braun en Hogenberg de situatie ter plaatse correct hebben weergegeven. Een stadsmuur heeft natuurlijk weinig zin als een vijand daar zo omheen kan lopen. Ook tonen ze maar vier stadspoorten aan de waterzijde, terwijl we weten dat er wel negen waren.
Van Dale nam in zijn boek een andere plattegrond op, die de stad rond 1450 toont. De kaart is duidelijk overgenomen van Braun en Hogenberg, maar op Van Dales kaart zijn wel alle stadspoorten te zien. Laten we maar aannemen dat deze kaart, tot stand gekomen na noeste arbeid in het archief, een toestand toont die meer met de werkelijke situatie overeenkomt.
Maar na de middeleeuwen zouden de kansen voor Sluis al gauw keren. De vestingwerken, met zoveel moeite en geld tot stand gebracht, zouden al snel komen te vervallen. Hierover meer in deel 2 van deze serie.
Gebruikte literatuur:
J.H. van Dale, Een blik op de vorming der stad Sluis en op den aanleg harer vestingwerken van 1382 tot 1587 (1871), te downloaden via deze link
P. Meesters, De geschiedenis van Sluis (1980)
Informatie over de geschiedenis van Sluit uit de Inventaris op het archief van Sluis