Korte historie van de stadsmuur in Nederland
Romeinse tijd en vroege middeleeuwen
De geschiedenis van de stadsmuur in Nederland begint niet in de middeleeuwen, maar al ruim duizend jaar eerder, in de Romeinse tijd. In 150 na Chr. wordt rond Ulpia Noviomagus, een nederzetting ten westen van de binnenstad van het huidige Nijmegen, een stenen stadsmuur opgericht. Dertig jaar later krijgt Forum Hadriani, wat later Voorburg zal worden, ook een stadsmuur. Dit zijn de enige twee steden in Romeins Nederland met een stadsmuur. Na de Romeinse tijd duurt het bijna 1000 jaar voor er weer een stenen stadsmuur rond een stad wordt gebouwd.
Wel worden er aarden wallen rond nederzettingen aangelegd. Deventer legt er rond 882 een aan na een inval door de Vikingen. Bij plaatsen als Middelburg, Zutphen en Oost-Souburg komen ringwalburchten. Hier kunnen bewoners van de nederzetting in tijden van nood schuilen, het zijn geen echte stadsmuren. Deze plaatsen zijn ook nog geen echte steden.
Dertiende eeuw – herintroductie van de baksteen
Utrecht krijgt in 1122 als een van de eerste Nederlandse steden in de middeleeuwen stadsrechten en start met de bouw van een stadsmuur. Dit is de eerste decennia ook nog grotendeels een aarden wal, maar later wordt deze geleidelijk aan vervangen door een stenen muur. De baksteen was in Romeinse tijd al bekend, maar kennis van het productieproces was in de eeuwen daarna verloren gegaan. Voor een stenen stadsmuur moest uit verre streken natuursteen aangevoerd worden, wat veel te duur was voor kleine nederzettingen.
Rond 1200 wordt de baksteen geherintroduceerd in de Nederlanden. Rond het midden van de dertiende eeuw is het productieproces zover gevorderd dat grote aantallen steen relatief goedkoop kunnen worden gebakken. Dit stimuleert het bouwen van stadsmuren. Veel steden straten met de bouw van een stadsmuur, zoals ’s-Hertogenbosch, Maastricht, Nijmegen, Zwolle, Arnhem, Deventer, Middelburg, Zierikzee en Kampen. Andere steden zijn er later mee, Amsterdam en Rotterdam beginnen pas aan het eind van de vijftiende eeuw met de bouw van hun stadsmuur. Tot die tijd vertrouwden ze nog op aarden wallen.
Ontwikkeling van de middeleeuwse stadspoort
De stadspoort maakt in de loop van de middeleeuwen een evolutie door. Eerst zijn het eenvoudige vierkante torens met een doorgang. De Binnenpoort in Culemborg is een nog bestaand voorbeeld van zo’n poort. Later wordt de poort bij grote steden uitgerust met twee dikke, ronde torens aan weerszijden. De Koornmarktpoort in Kampen is er zo een. Later komt er bij grote steden een ‘barbakane’ bij, een voorpoort. Bezoekers aan Haarlem komen er een tegen in de vorm van de Amsterdamse poort.
Ook muurtorens maken een ontwikkeling door. Zijn ze eerst nog vierkant van vorm, al snel wordt het hoefijzervormige model de standaard: vierkant aan de stadszijde en rond aan de veldzijde. Dit heeft te maken met de projectielen die tegen de torens aan geworpen worden. Kogels, afkomstig van blijdes of kanonnen, ketsen veel beter af op rond metselwerk dan wanneer dit rechthoekig is.
Belegering van steden in de middeleeuwen
In de middeleeuwen wordt veel oorlog gevoerd, maar zelden via een veldslag. Meestal gaat het om het belegeren van steden met katapulten, rijdende belegeringstorens en stormrammen. Talloze steden worden belegerd, als Zierikzee (1304), Delft (1359), Dordrecht (1418) en Leiden (1420). De meeste steden doorstaan de belegering dankzij hun stadsmuren. Een van de laatste keren dat een blijde gebruikt wordt is bij de belegering van Haarlem, in 1426. Het kanon neemt het van de blijde over.
In 1348 wordt voor het eerst melding gemaakt van een kanon in de Noordelijke Nederlanden. In het begin stelt de vuurkracht erg weinig voor, maar het kanon ontwikkelt zich snel. Het zal een enorme invloed hebben op de manier van stadsverdediging. In de zestiende en zeventiende eeuw zullen veel steden hun muren aanpassen en in veel gevallen zelfs vervangen door aarden wallen, die beter bestand zijn tegen kanonnenvuur.
Zestiende eeuw – versterking van de stadsmuur
In 1518 is ’s Hertogenbosch de eerste stad die een aarden wal achter zijn stadsmuur aanlegt. Het kanon is nu zo ver ontwikkeld dat het een gevaar voor steden is. Een aarden wal moet de inslag van kanonskogels smoren. Steeds meer steden beginnen ook bolwerken rond hun belangrijkste stadspoorten aan te leggen, als extra bescherming tegen kanonnenvuur. Muurtorens worden gesloopt of verlaagd en omgebouwd tot rondelen.
Breda is de eerste Nederlandse stad die haar verdedigingswerken aanpast volgens het Oud-Italiaanse vestingstelsel, in 1531. Dit gaat uit van meerdere, driehoekige stenen bastions van waaruit de muren beter beschermd en vijanden effectiever aangevallen kunnen worden. Andere steden als Utrecht, Amsterdam en Maastricht doen dit ook, hierin bijgestaan door Italiaanse vestingbouwkundigen als Donato de Boni di Pellezuoli, Marco da Verona en Alessandro Pasqualini.
1568-1648 Tachtigjarige Oorlog
De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), heeft een enorme invloed op de stadsmuren van Nederland. Nederlandse gewesten komen in opstand tegen het Spaanse gezag. Veel steden vervangen in alle haast hun stadsmuren voor aarden wallen volgens het Oud-Nederlandse vestingstelsel. Dit stelsel van aarden wallen, brede natte grachten en driehoekige bastions is een goedkoop alternatief voor het dure Italiaanse stelsel. Adriaan Anthonisz (1541-1620), fortificatiemeester in dienst van Oranje, is de man van de praktijk die voor veel steden hun vestingwerken ontwerpt. Simon Stevin (1548-1620) is de theoreticus achter het stelsel. Vele steden krijgen een groots stelsel van vestingwerken om zich heen, Groningen (links) is een van de mooiste voorbeelden. Ook steden die tot dan toe helemaal niet versterkt waren krijgen nu een versterking.
Stadspoorten in de zeventiende eeuw
In het gewest Holland wordt na 1576 geen strijd meer geleverd tegen de Spanjaarden. Stadsmuren hebben hier vrijwel geen militaire functie meer. Nieuwe stadspoorten hoeven dan ook niet meer als mini-burchten uitgevoerd te worden, met zware torens en schietgaten. De stadspoorten die in de zeventiende eeuw worden gebouwd als deel van de nieuwe vestingwerken, worden vrijwel allemaal uitgevoerd in de architectuurstijl van deze tijd, de Hollandse Renaissancestijl. De Amsterdamse (vierde) Haarlemmerpoort is in 1615 een van de eerste stadspoorten in de Republiek die deze vormgeving kreeg.
Later in de zeventiende eeuw wordt ook de stijl van het Hollands classicisme toegepast. Voorbeelden van poorten in die stijl zijn de Weesperpoort, de Muiderpoort en de Utrechtsepoort van Amsterdam, allen gebouwd rond 1660 als deel van de Vierde uitleg van de stad.
Achttiende eeuw – Nieuw-Nederlands vestingstelsel
1672 is het Rampjaar. De Republiek wordt van alle kanten aangevallen. De stedelijke verdedigingswerken blijken bijna overal verwaarloosd te zijn en hebben vrijwel geen militair nut meer. In 1695 wordt vestingbouwkundige Menno van Coehoorn (1641-1704) het hoofd van de landelijke fortificatiedienst. Hij ontwikkelt het Nieuw-Nederlandse vestingstelsel. Met grotere bastions en een uitgebreid stelsel van eilandjes in de vestinggracht moet ieder onderdeel van de vesting zelfstandig te verdedigen zijn.
Vestingsteden als Bergen op Zoom (rechts), Zutphen en Sluis passen zijn stelsel toe. Steden die niet aan de rand van de Republiek liggen doen dit niet, en verwaarlozen hun vestingwerken daarentegen nog meer.
Negentiende eeuw – afbraak vestingwerken
In de eerste helft 19e eeuw is het militaire nut van de vestingwerken vrijwel verdwenen. Bouwvallig en verwaarloosd als ze vaak zijn, worden ze als sta-in-de-weg gezien. Het onderhoud ervan kost handenvol geld, wat er in het verarmde Nederland na de bezetting door de Franse legers (1795-1813) vaak niet is. Alleen vestingsteden in het oosten en het zuiden van het land behouden hun vestingwerken nog. Stadspoorten blijven vaak wel staan, omdat hier poortgeld, een soort belasting, geïnd wordt. Maar met de invoering van de Gemeentewet in 1851 wordt het gemeenten verboden om nog langer poortgeld te heffen. Veel stadspoorten die om die reden nog zijn blijven staan, worden nu ook gesloopt.
Vestingwet 1874
De steden die nog wel als vestingen aangemerkt worden, krijgen in 1853 met de Kringenwet beperkingen opgelegd aan wat er rond de vestingwerken gebouwd mag worden. De ontwikkeling van deze steden, zoals Nijmegen, ’s-Hertogenbosch en Maastricht, wordt hiermee enorm belemmerd. De Frans-Duitse Oorlog van 1871-1874, waar Nederland overigens niet aan meedoet, toont daarna nog maar eens de nutteloosheid van stedelijke vestingwerken aan. De Vestingwet van 1874 maakt daarna voor een groot aantal steden een eind aan de status van vesting. Ook hier mogen de vestingwerken nu worden afgebroken. In 1877 wordt er nog één keer een stadspoort in Nederland gebouwd: de Utrechtsepoort in Naarden. Voor de rest worden vrijwel alle poorten in Nederland gesloopt. Wallen worden geslecht en veelal omgevormd tot ‘wandelingen’, groengebieden waar het goed wandelen is.
Tweede helft negentiende en twintigste eeuw – behoud en restauratie
In de tweede helft van de negentiende eeuw is langzaam het besef van monumentenzorg opgekomen. Dit houdt niet de sloop van vele stadspoorten tegen, vaak door een gebrek aan kennis en historisch besef bij stadsbestuurders. De Maastrichtenaar Victor de Stuers (1843-1916) is een van de eerste monumentenbeschermers die zich hier hard voor maakt. Enkele poorten, zoals de Helpoort in zijn stad, worden gerestaureerd.
In de twintigste eeuw zet dit zich door. Tussen 1960-1970 worden de weinige overgebleven stadspoorten allemaal aangewezen als rijksmonument. De steden die nog een deel van hun muur of een stadspoort behouden hebben, koesteren deze als historisch erfgoed. Op enkele plekken worden stukken stadsmuur zelfs teruggebracht, zoals in Amersfoort, of worden stadspoorten helemaal herbouwd, zoals in Valkenburg, Heusden en Tiel. De restanten van de stadsmuur en de stadspoorten zijn vaak de iconen van de historische stad, veel gebruikt in de citymarketing en voor toeristische doeleinden.
In de twintigste eeuw zet dit zich door. Tussen 1960-1970 worden de weinige overgebleven stadspoorten allemaal aangewezen als rijksmonument. De steden die nog een deel van hun muur of een stadspoort behouden hebben, koesteren deze als historisch erfgoed. Op enkele plekken worden stukken stadsmuur zelfs teruggebracht, zoals in Amersfoort, of worden stadspoorten helemaal herbouwd, zoals in Valkenburg, Heusden en Tiel. De restanten van de stadsmuur en de stadspoorten zijn vaak de iconen van de historische stad, veel gebruikt in de citymarketing en voor toeristische doeleinden.