Begrippen

Als het gaat over stadsmuren kom je nogal eens onbekende termen tegen. Hieronder vind je een uitleg van de meest voorkomende begrippen.

Barbacane

Iedere vorm van een verdedigingswerk dat voor een stadspoort lag. Dit kan de vorm van een bolwerk aannemen, of van een voorpoort. Het woord komt van Perzisch barbarkhan, dat letterlijk “beschermer van het huis”. De Amsterdamse poort bij Haarlem (rechts) is een voorbeeld van een stadspoort met een voorpoort. De voorpoort en hoofdpoort zijn hier met elkaar verbonden door muren, ‘vleugelmuren’ genoemd.

Hoefijzervormige toren, een soort groot uitgevallen rondeel. Oorspronkelijk ontworpen door de Duitse kunstenaar Albrecht Dürer. In Nijmegen is een bastei, de voormalige Stratemakerstoren, bewaard gebleven. Hier zit nu museum De Bastei in.

Een vijfhoekige uitbouw van een verdedigingswerk, in Nederland meestal van aarde gemaakt. De vanaf de veldzijde zichtbare gedeelten worden de facen genoemd, de delen waarmee het bastion aansluit op de stadswal heten de flanken. In Friesland en Groningen werden ze ook ‘dwinger’ genoemd. Hieronder zijn twee bastions van de zeventiende-eeuwse omwalling van Groningen afgebeeld.  

Middeleeuws slingergeschut waarmee stadsmuren bestookt konden worden. Ook gebruikt om voorwerpen (stenen, kadavers etc.) over de muur heen te werpen. De werking berustte op een lange arm met aan het ene uiteinde een slinger waar een projectiel in gelegd werd en een zwaar contragewicht aan het andere uiteinde. Als het contragewicht omlaag kwam, schoot de slinger aan de andere kant omhoog en wierp het projectiel honderden meters ver weg. Deze Youtube-video legt de werking van een blijde uit.

Oorspronkelijk een vaak rond verdedigingswerk voor of buiten een stadsmuur of stadspoort. Later wordt dit woord ook gebruikt als synoniem voor een bastion. Hieronder zie je het ‘Oostbolwerk’, het bolwerk dat het stadsbestuur van Rotterdam in 1573 voor haar Oostpoort aanlegde.  

De strook grond tussen een dubbele stadsmuur. Hier moeten de stadsmuren dan wel op korte afstand van elkaar liggen. Het gebied ertussen is te smal om er woningen te bouwen, en wordt vaak leeg gelaten. Deventer (een deel van een zestiende-eeuwse plattegrond is hieronder afgebeeld) is een van de weinige Nederlandse steden die een dubbele muur met een dwingel hebben gehad. 

Ander woord voor een belegeringstoren, een hoge houten toren met enkele verdiepingen die tijdens belegeringen naar de stadsmuur gerold kon worden om van daaraf op de weergang te kunnen komen. 

Een hek aan het begin van de brug die over de stadsgracht naar de stadspoort leidt. In vrijwel alle gevallen is het een houten hek, te hoog om overheen te klimmen, die een extra belemmering moest zijn voor degenen die na sluiting van de poorten nog de stad binnen wilden komen. Soms neemt een hamei de vorm van een stenen voorpoort aan. Ook het valhek in de stadspoort wordt soms hamei genoemd. Hieronder een afbeelding van de Utrechtse Weerdpoort. Voor de brug staat een hamei. Als bezoekers voor een dichte poort stonden, konden ze de klok die in de hamei hing luiden om de poortwachter te waarschuwen.

Een houten overkapping van een stadsmuur. Deze staken aan de veldzijde uit, zodat vanuit hier aanvallers bestookt konden worden. In Zwolle, Harderwijk en Zutphen zijn reconstructies van hordijzen aangebracht.

Rechtopstaand deel van een borstwering, ook wel ‘tinne’, ‘venster’ of  ‘merloen’ genoemd. Als een verdediger van de stad achter een kanteel stond, was hij beschermd tegen pijlen of kogels die de aanvallende partij op hem afschoot. Zelf kon hij redelijk veilig tussen de moordgaten door schieten of door de schietgaten in de kanteel. De lege ruimte tussen twee kantelen wordt het moordgat genoemd. Soms werden moordgaten met beweegbare houten luiken afgesloten.

Een klein deurtje in een van de deuren van de stadspoort. Hierdoor konden personen binnengelaten worden als ’s avonds en ’s nachts de grote deuren van de stadspoort gesloten waren. 

Een klein erkertje aan (meestal) een stadspoort, geplaatst boven de doorgang van de poort. Dit uitbouwtje heeft gaten in de vloer, waardoor stenen of andere projectielen gegooid kunnen worden op aanvallers die onderaan de poort staan. De  Sassenpoort in Zwolle (hieronder) heeft een mezekouw.

Een vooruitstekend gedeelte bovenaan een stadsmuur of een stadspoort met gaten in de bodem, waardoor stenen of andere projectielen naar beneden op een aanvaller geworpen kon worden. De Kamperbinnenpoort in Amersfoort en de Amsterdamse poort in Haarlem (hieronder) zijn nog bestaande stadspoorten die machicoulis hebben.

Door Italiaanse vestingbouwkundigen ontwikkeld stelsel van het bouwen van vestingwerken, in reactie op het verbeterde vuurgeschut. Het kenmerkt zich door lange courtines (de stukken stadswal tussen twee bastions) met kleine bastions met een stenen bekleding. Breda is een stad geweest met een Oud-Italiaans vestingstelsel. Hieronder is een deel van een maquette van de vestingwerken van Breda afgebeeld.

Vestingstelsel rond een stad, bestaande uit aarden wallen, natte grachten en kleine bastions die haaks op de courtine (lang gedeelte van de wal) staan. Doorontwikkeld vanuit het Oud-Italiaanse stelsel in de tweede helft van de zestiende eeuw en aangepast aan de omstandigheden in Nederland. Alkmaar (een plattegrond van de stad zie je hieronder staan) was een stad waar je de kenmerken van dit stelsel goed terug ziet.

Verbetering van het Oud-Nederlandse vestingstelsel, voornamelijk ontwikkeld door Menno van Coehoorn aan het eind van de zeventiende eeuw. Kenmerken: grote bastions en een kring van ravelijnen (eilandjes) in de gracht. Bergen op Zoom (zie hieronder) heeft een vestingstelsel volgens de Nieuw-Nederlands wijze gehad.

Een klein poortje in de stadsmuur. De grote stadspoorten van de stad kwamen uit op de belangrijke toegangswegen naar de stad en werden bewaakt door een poortwachter. Poternes waren veel eenvoudiger, vaak niet meer dan een opening in de muur. Poternes worden ook wel aangeduid als ‘secundaire poort’, waarbij een grote, bewaakte stadspoort dan een ‘primaire poort’ is. Hieronder zie je het Amsterdamse Raampoortje.

Halfronde uitbouw uit de stadsmuur, in de zestiende eeuw ontwikkeld vanuit de muurtoren. Met de komst van het kanon waren de muurtorens achterhaald geworden en vormden een doelwit voor de aanvallers. Muurtorens werden in veel steden verlaagd en tot een rondeel gemaakt. Op het rondeel kon geschut (kanonnen e.d.) geplaatst worden. Een rondeel is een tussenvorm, tussen de muurtoren en het bastion in. Hieronder zie je rondeel De Roomse Voet in Nijmegen. 

Een verticale, smalle opening in een stadsmuur of de muur van een stadspoort waardoor met pijlen of met vuurwapens geschoten kan worden. De opening is aan de buitenzijde van de muur zeer smal, slechts enkele centimeters breed. Naar binnen toe verwijdt de opening zich, om de schutter meer ruimte te geven.

Hiermee wordt de buitenzijde van de stadsmuur zelf bedoeld, ook wel ‘gordijn’. Aan de binnenkant van de schildmuur kon een spaarbogenconstructie staan (zie daar). Hieronder een bewaard gebleven stuk van de schildmuur van Maastricht, aan de Onze Lieve Vrouwewal.

Een aan de stadszijde van de muur aangebrachte bogenconstructie van metselwerk, ter steun en versteviging van de schildmuur. Deze constructie spaarde materiaal en arbeid uit in vergelijking met een volledig massieve muur. Hieronder een foto van de gereconstrueerde muur met spaarbogenconstructie aan de Hekelwal in Den Bosch.

Looppad aan de binnenzijde van de muur, meestal op de bovenkant van de spaarboogconstructie. Bewakers konden van hieraf de omgeving buiten de muur in de gaten houden.