Typen stadspoort

Zoals er verschillende typen stadsmuren waren, zo bestonden er ook verschillende typen stadspoorten. Gedeeltelijk is er sprake van een evolutie van de stadspoort door de tijd heen. Waar in sommige (vaak: kleine) steden de poort in een eerste fase bleef steken, die van de eenvoudige, rechthoekige poorttoren, ontwikkelde de poort zich in grotere steden later tot andere types. Ook de ontwikkeling van het vuurgeschut had invloed op de stadspoort.

De historicus C.H. Peters maakte in zijn tussen 1909 en 1911 verschenen boek Oud-Nederlandsche steden in haar ontstaan, groei en ontwikkeling onderscheid in vijf typen stadspoorten.[1] Deze onderverdeling blijkt nog steeds goed hanteerbaar, reden waarom deze hier wordt overgenomen:

  1. de poorttoren;
  2. de dubbeltorenpoort;
  3. de hoofdpoort met een voorpoort;
  4. de doorgang in de 16de- en 17de-eeuwse omwalling;
  5. de waterpoort.

Ik vul daar zelf nog drie andere typen aan toe die ik in de literatuur over stedelijke verdedigingswerken ben tegengekomen:

  1. de sierpoort;
  2. de poterne of secundaire poort
  3. de stadsvrijheidspoort.

    Type 1, de poorttoren

    De poorttoren kan gelden als de basis, waar de volgende twee typen op voortborduren. Het is eenvoudige, rechthoekige poort met een of meerdere verdiepingen boven de doorgang. Vooral kleine steden hadden een type 1-stadspoort. Voorbeelden zijn tot op de dag van vandaag nog te vinden in Elburg (de Vispoort), Vianen (de Lekpoort) en Culemborg (de Binnenpoort). In het enige algemene overzichtswerk over stadspoorten dat tot nu toe in Nederland is verschenen, Middeleeuwse stadswallen en stadspoorten in de Lage Landen, van H. Janse en Th. Van Straalen, wordt dit type ook als eerste behandeld. Zij beschrijven het als een eenvoudig bouwwerk met een doorgang, meestal drie tot vier meter breed en acht tot elf meter diep.[2] Met deze afmetingen kon er ten minste een paard en wagen in staan. Aan de zijde van de doorgang bevonden zich een of meerdere nissen waarin de poortwachter zich kon terugtrekken. Een gewelfde overdekking van steen houdt de wachter en de wagen droog. Boven de doorgang bevindt zich een wachtruimte met een stookplaats zodat de wachter ook warm kon zitten op koude dagen. De wachtruimte was óf te bereiken via de stadsmuur óf via een trap in de poort. Soms is de doorgang asymmetrisch in de poort aangebracht, zodat één van de zijden naast de poort breder is dan de andere. We zien dit bij de Vispoort in Elburg. Deze werd kort na 1392 als gewone muurtoren gebouwd, de doorgang kwam er pas in 1592 in.[3] Meerdere verdiepingen had de poort als er behoefte was aan meer ruimte, of als de poort van veraf zichtbaar moest zijn voor bezoekers aan de stad.

    Bij de Vispoort in Elburg is de rechterzijde van de doorgang (van de stadszijde bezien) breder dan de linkerzijde. Aan de rechterzijde moest ruimte voor een trap gemaakt worden. Foto: Martin Deinum, 2025

     

    Type 2, de dubbeltorenpoort

     

    Dit is een poorttoren waar aan weerszijden torens tegenaan zijn gezet. Dit type was afkomstig uit Frankrijk en was al in gebruik bij de Romeinen.[4] Het lijkt erop dat de meeste poorten van dit type in de Noord-Nederlandse gebieden aan het eind 14de, begin 15de eeuw opgekomen zijn.[5] Nog bestaande voorbeelden zijn de Helpoort in Maastricht, de Nobelpoort in Zierikzee en de Koornmarktpoort in Kampen. Het kan hierbij gaan om een doorontwikkeling van de eerder gebouwde poorttoren, zoals bij de laatstgenoemde poort het geval was. De Koornmarktpoort begon rond 1337 zijn bestaan als een rechthoekige poorttoren met twee verdiepingen boven de doorgang. Tegen het einde van de 14de eeuw zetten de Kampenaren er twee torens tegenaan en werd de poort een dubbeltorenpoort.[6] Het kon ook zijn dat de torens al direct bij de oprichting van de poort gebouwd werden.

    De Koornmarktpoort in Kampen. Foto:  Martin Deinum 2022

    Een poort van dit type kon ook vier torens hebben, twee aan de veldzijde en twee aan de stadszijde. De torens aan de veldzijde moesten sterk en verdedigbaar zijn, de twee torens aan de stadszijde hoefden dat niet te zijn en konden kleiner uitgevoerd worden. De Zwolse Sassenpoort heeft aan de veldzijde twee grote, stevige achtzijdige torens en aan de stadszijde twee slanke torens, waar de trap in zit. De Sint-Anthoniepoort in Amsterdam (1488), de tegenwoordige Waag op de Nieuwmarkt, heeft aan de veldzijde ook twee machtige torens, maar aan de stadszijde maar één traptoren en dus in totaal drie torens.

    Waar dit type in Nederland veel voorkwam, was dit type in de Duitse landen maar zeldzaam. Daar hield het overgrote deel van de steden het bij de poorttoren, zonder dubbele torens.[7] Waarom dit zo is, is nog onbekend en het onderzoeken waard.

     

    Type 3, de hoofdpoort met een voorpoort

    Links: vooraanzicht, rechts: zijaanzicht

     

    Dit is een volgende stap in de evolutie van de stadspoort. Aan de dubbeltorenpoort werd een voorpoort toegevoegd, een op korte afstand van de hoofdpoort gelegen constructie met deuren en torens. De voorpoort is altijd iets lager dan de hoofdpoort. In plaats van voorpoort spreken we ook wel van een barbakane naar het Perzische woord barbarkhanneh, dat ‘bolwerk voor de poort’ betekent.[8] De binnen- en de voorpoort werden vaak met elkaar verbonden door aan weerszijden van de poort gelegen vleugelmuren, ook wel buitenwangen of borstweermuren genoemd. Het geheel wordt ook wel ‘bruggeschans’ genoemd.[9] De voorpoort vormt een extra obstakel voor een aanvallend leger. Als de voorpoort eenmaal is genomen stuiten zij op de voorpoort, die tegen die tijd optimaal voorzien is van verdedigers.

    Het kon zijn dat de voorpoort werd toegevoegd aan een eerder gebouwde hoofdpoort. De Haarlemse Amsterdamse poort is hier een voorbeeld van. Begin 15de eeuw werd de hoofdpoort gebouwd, eind 15de eeuw werd de voorpoort toegevoegd.[10]  Ook de hoofdpoort van de Bossche Pieckepoort (1350-1400) ging vooraf aan de voorpoort.[11] Maar al spoedig na de introductie van dit type poort werden in grote Nederlandse steden alle belangrijke stadspoorten direct als dit type uitgevoerd.[12] De Gevangenpoort in Bergen op Zoom (1350) is nu een dubbeltorenpoort, maar bezat vroeger ook nog een direct met de hoofdpoort meegebouwde voorpoort. Het is zelfs het oudst bekende voorbeeld van dit type. In 1619 besloot het stadsbestuur de zwaar vervallen voorpoort, destijds ‘voorwerck’ en eerder nog ‘voorbaelge’ genoemd, af te breken omdat het een ‘grooten oncieraet’ vormde.[13] De Amsterdamse Sint Anthoniespoort werd ook direct bij de bouw als hoofdpoort mét voorpoort uitgevoerd.[14]  

    Zijaanzicht van de Amsterdamse poort van Haarlem. De lagere voorpoort en de hoge hoofdpoort worden verbonden door relatief korte vleugelmuren. Foto: Martin Deinum 2025.

    Een voorpoort kost geld. Een middeleeuws stadsbestuur gaf niet zomaar geld uit, dus voor het bouwen van een voorpoort moet een goede reden zijn geweest. Veranderingen in verdedigingswerken komen meestal voort uit veranderingen in aanvalswapens. Zo was het ten minste in de zestiende eeuw, toen het kanon steden dwong om hun stadsmuren te omringen met aarden wallen, om het kanon op flinke afstand te houden. Bij het zoeken naar een reden  om aan voorpoorten te beginnen kunnen we het beste naar veranderingen in aanvalswapens kijken. De Duitse stadsmuuronderzoeker Thomas Biller vermoedt dat de opkomst van het buskruit er iets mee te maken had.[15] Daarbij moeten we nog niet denken aan een kanon dat met buskruit een poortdeur aan stukken schoot. De eerste kanonnen in de noordelijke Nederlanden dateren van het midden van de veertiende eeuw, maar dit waren nog maar heel kleine kanonnen. Een dikke, met ijzer beslagen poortdeur was met gemak bestand tegen de kogeltjes die hieruit kwamen. We moeten eerder denken aan een tonnetje buskruit dat in een donkere nacht tot voor een poort werd gereden en de poortdeur opblies. Tevoren kon een poortdeur alleen bezwijken door het te rammen met een stormram, een risicovol en zwaar werk voor degenen die het moesten uitvoeren. Een ton buskruit naar een poort vervoeren was veel makkelijker en minder risicovol.

     

    Type 4, de doorgang in de 16de– en 17de-eeuwse omwalling

    Deze treffen we aan in de stadswallen van het Oud-Nederlandse vestingstelsel, aangelegd eind 16e en begin 17e eeuw, ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog. In de tijd van het krachtige kanon was een hoge toren helemaal geen voordeel meer, integendeel. Een rij kanonnen kon met langdurig schieten iedere stenen muur en poort al snel aan puin schieten. Een naar de buitenwereld gekeerde stadspoort moest daarom vooral laag zijn, om de vijand geen doelwit te geven om kapot te schieten. Een poort van dit type is meer een tunnel dan een poort en is soms tientallen meters lang. De Middelste of Duistere Brinkpoort in 16de-eeuwse omwalling van Deventer was een type-4-poort. De poort kreeg zijn bijnaam ‘Duistere’ omdat het letterlijk een donkere gang was, bijna 100 meter lang onder de wal door. De poort had een eenvoudige architectuur, vaak passend bij het militaire karakter van de poort.

    De Groningse Ebbingepoort, hier gefotografeerd in 1877, is een typisch voorbeeld van een type-4-poort.

    Type 5, de waterpoort

    De Berkelpoort van Zutphen. Foto Martin Deinum 2024

    Waterpoorten kwamen in het waterrijk Nederland veelvuldig voor. Bedoeld om schepen door te laten, werden ze in Friesland en Groningen ‘pijpen’ genoemd (de Groningse Marwixpijp bijvoorbeeld), in Den Bosch heten ze hekels (Kleine Hekel, Grote Hekel), naar de lange, van ijzeren pinnen voorziene balk waarmee de doorgang kon worden afgesloten. Was de balk zonder pinnen uitgevoerd, dan werd deze een ‘boom’ genoemd. Vandaar dat we veel boompoorten kennen,’s-Hertogenbosch kende naast zijn hekels ook nog een ‘Poort aan de boom’. Afsluiting van het water kon ook door middel van kettingen. Haarlem had zijn Raakstorens, waartussen het water ’s nachts met een hek aan een raexe (ketting) werd afgesloten. 

    De Ouwe Gouwsboom, een waterpoort in de Enkhuizense vestingwerken. Foto: Martin Deinum 2024.

     

    Verschillende waterpoorten bestaan nog, zoals de Boerenboom en de Ouwe Gouwsboom in Enkhuizen, de Waterpoort in Sneek, de Monnickendam in Amersfoort en de Berkelpoort in Zutphen. De combinatie van een landpoort en een waterpoort zoals de Amersfoortse Koppelpoort, kwam vaak voor.[16] Dit zijn alle fraai uitgevoerde waterpoorten, maar soms ging het ook om niet meer dan een simpel gat in de stadsmuur. In dat geval worden ze ook wel watergaten genoemd. Op onderstaande gedeelte van een profiel van Leiden is er een te zien. Deze boden geen toegang aan grote schepen, alleen aan de kleine platboomvaartuigen die de groenten van het land vervoerden.

     

    Type 6, de sierpoort

    De sierpoort stamt uit de tijd ná de middeleeuwen, toen de stadsmuur en zijn poorten hun defensieve functie hadden verloren. Hierboven zagen we al dat type-4-poorten in de omwalling kwamen te zitten.  Maar een stad kon ook een binnenpoort hebben, en die werd vaak van het zesde type. De middeleeuwse stadsmuur was in die tijd al gesloopt, de stadspoort bleef staan er werd vervangen door een moderne variant. Hier kon de architect eens goed uitpakken en er een fraai werk van maken. Sommige sierpoorten kregen een klokkentoren,  Leiden kende aan de oostzijde van de stad het Hogewoerdsbolwerk, met een in 1659 gebouwde buitenpoort aan de veldzijde en een in 1669 gebouwde binnenpoort aan de stadszijde. De buitenpoort werd uitgevoerd als een lage type-4-poort, de binnenpoort werd een sierpoort, met een fraaie klokkentoren. 

    De Hogewoerdsbinnenpoort van Leiden, in 1863. Foto door J. Goedeljee, Erfgoed Leiden.

    De sierpoort kreeg in het grootste deel van de gevallen de architectuur van zijn tijd. ‘Het massieve, sober-weerbare karakter dat de poort in de krijgsbouwkunde werd toebedeeld’, zo stelt het standaardwerk Bouwen in Nederland 600-2000, maakte ‘allengs plaats voor een meer decoratieve, burgerlijke vormgeving die bij de mercantiele (handels), uitnodigende cultuur van de stad aansloot’.[17]  In de 16de eeuw was dat vooral de Hollandse Renaissance, in de 17de eeuw het classicisme. De vierde Haarlemmerpoort van Amsterdam (1615) is een vroeg, lange tijd toonaangevend voorbeeld van een stadspoort in de stijl van de Hollandse Renaissance. Gebouwd als een triomfpoort met dubbele Toscaanse zuilen, een fronton met het wapen van Amsterdam erin en een sierlijke toren moet deze poort al van ver buiten de stad te zien zijn geweest.

    De Vierde Haarlemmerpoort van Amsterdam, gebouwd in 1615 naar een ontwerp van Hendrick de Keyser. Tekening van een onbekende kunstenaar, collectie Stadsarchief Amsterdam.

    De Leidse Zijlpoort (1667) is een voorbeeld van een poort in de stijl van het Hollands classicisme.

    De Zijlpoort te Leiden. Foto Martin Deinum 2025.

     

    Utrecht kreeg ook sierpoorten, het schilderij hieronder is van de 17de-eeuwse Catharijnepoort. De middeleeuwse variant werd in 1530 gesloopt. Bijna een eeuw later, in 1625, kwam deze sierpoort er voor in de plaats, naar een ontwerp van  de Utrechtse schilder Paulus Moreelse. De poort kwam niet in een 17de-eeuwe omwalling te staan, want die had Utrecht niet. De poort maakte deel uit van de middeleeuwse stadsmuur.

    De Utrechtse Catharijnepoort van 1625, schilderij door Isaac Ouwater, 1780 (Collectie Utrechts Archief).

     

    Type 7, de poterne of secundaire poort

    Dit was eigenlijk niet meer dan een kleine doorgang in de muur. De type 4-poort was dat ook, maar daar hebben we het over poorten in de 16de en 17de-eeuwse omwalling. Deze waren altijd door vestingbouwmeesters gebouwd als deel van de vesting en golden als een echte, bewaakte stadspoort. De poterne komen we vooral in de middeleeuwse stadsmuur tegen. Het was vaak een kleine doorgang in de muur, hooguit groot genoeg om één of twee personen door te laten. Poternes werden gemaakt en gebruikt door stadsbewoners om bij landerijen buiten de stad te komen. Iedere keer omlopen via de grote stadspoorten zou te omslachtig geweest zijn, dus maakte ze vaak hun eigen doorgang, mét of zonder toestemming van het stadsbestuur. Dreigde er gevaar van een vijand, dan moesten de poternes snel dichtgemetseld worden. Kun je het wel een stadspoort noemen, is de vraag. Hoewel klein en niet bewaakt, kregen dergelijke poortjes toch vaak een naam. De stadsmuur van Amsterdam telde er vijf: de  Korsjespoort, de Waterpoort, de Heiligewegspoort, de Jan Roodenpoort en de Raampoort.

    Het Raampoortje van Amsterdam, door een onbekende kunstenaar (Collectie Atlas Dreesman, Stadsarchief Amsterdam)

     

    Raampoorten komen we ook in Haarlem en Deventer tegen, en leidden naar het terrein waar de ‘ramen’ stonden, de houten stellages waarop was te drogen en te bleken hing. Koepoortjes leidden naar weilanden waarop de koeien stonden, veerpoortjes naar de veerboten over de rivier. Zo werden poternes vaak vernoemd naar de functie waarvoor ze in het leven werden geroepen.  

     

    Type 8, de stadsvrijheidspoort

    De Gildpoort, een van de vier stadsvrijheidspoorten van Utrecht. Door onbekende kunstenaar (Collectie Utrechts Archief)

    De stadsvrijheidspoort ben ik tot nu toe nog maar bij één stad tegen gekomen: Utrecht. Op de vier wegen die het begin van de stadsvrijheid aankondigden stonden poorten: de Ganspoort, de Gildpoort, de Pellecussenpoort en de Doofpoort. Het ging om losstaande poorten, die geen onderdeel uitmaakten van een omwalling. De een was groots uitgevoerd (de Pellecussenpoort), de ander was een zeer eenvoudige doorgang ( Gildpoort). Waarschijnlijk werden ze alleen gebouwd om de grens tussen de stadsvrijheid en het niet tot de stad behorende ommeland te markeren.

     


    [1] C.H. Peters, Oud-Nederlandsche steden in haar ontstaan, groei en ontwikkeling (Leiden, 1909-1911) 78-112.

    [2] H. Janse en Th. Van Straalen, Middeleeuwse stadswallen en stadspoorten in de Lage Landen (Zaltbommel 1974) 27.

    [3] K. Bosma (red.), Bouwen in Nederland 600-2000 (Zwolle, 2007) 142.

    [4] Bosma (red.) 142.

    [5] M.J. Waale stelt in zijn boek De Arkelse oorlog 1401-1412 (Hilversum 1990, p. 177) dat in het gewest Holland dit type poort begin 15e eeuw opkwam. We zagen dat de Koornmarktpoort in Kampen eind 14e eeuw van dubbele torens voorzien werd. Vrijwel dezelfde tijd dus. Hoe dit voor andere poorten van dit type is, ga ik nog wel een keer uitzoeken.

    [6] A. Jager, Middeleeuws Kampen (Zwolle 2015) 173.

    [7] T. Biller, Die mittelalterliche Stadtbefestigungen im deutschsprachigen Raum. Eind Handbuch (Darmstadt 2019) 146.

    [8] P.K.J.M. Kamps, P.C. van Kerkum, J. de Zee (red.) Terminologie verdedigingswerken. Inrichting, aanval en verdediging (Utrecht 1999) 10. Er zijn meer vertalingen, zoals ‘beschermer van het huis’, zie: https://erfgoedcentrumzutphen.nl/ontdekken/ontdek/erfgoed-van-de-week/767-consoles-uit-de-barbacane

    [9] Kamps (red.), 10.

    [10] Janse & Van Straalen, 33.

    [11] H. Boekwijt (red.), De stad van Bosch. Bossche bouwhistorie in nieuw perspectief (Den Bosch 2016) 55.

    [12] Natuurlijk zijn hier ook weer uitzonderingen op: Rotterdam heeft nooit poorten met een barbakane gehad.

    [13] W.A. van Ham, L.J. Weijs & J.L.C. Weyts, ‘De Lievevrouwepoort te Bergen op Zoom en zijn

    Omgeving’, Bulletin KNOB 73 (1974) 19-33, aldaar 24.

    [14] J. Gawronski (red.) De Waag op de Nieuwmarkt. De middeleeuwse oostpoort van Amsterdam.   Archeologische en bouwhistorische begeleiding, De Waag, Nieuwmarkt 4, Amsterdam (2013‐2014), Amsterdamse Archeologische Rapporten 95 (2017) 11.

    [15] Biller, 213.

    [16] Janse & Van Straalen, 35.

    [17] Bosma, 369.