De geschiedenis van de stadsmuur
De geschiedenis van de stadsmuur
Typen stadsmuur
Nederlandse steden kenden niet één type stadsmuur, stadsmuren kwamen in verschillende vormen en uitvoeringen. Dit artikel is gewijd aan de typen muur die we bij Nederlandse steden tegen hadden kunnen komen, hadden we geleefd toen ze de stadsbevolking nog bescherming boden.
Een goed beginpunt daarbij is het schema dat de Nederlandse bouwhistoricus Hein Hundertmark in 2018 opstelde.[1] Hij onderscheidt vijf typen stadsmuur in Nederlandse steden:
- De spaarbogenmuur, met een stenen weergang op spaarbogen;
- De massieve muur, dus zonder spaarbogen, met een stenen weergang op het muurwerk;
- De dunne muur zonder bogenconstructie, maar met een houten weergang;
- De muur met de grondkerende functie waarbij het maaiveld aan de straatzijde het loopvlak van de weergang vormt;
- De muur die niets meer is dan een borstwering met kantelen op een aarden wal.
Ik vul daar zelf nog drie andere typen aan toe die ik in de literatuur over stedelijke verdedigingswerken ben tegengekomen:
- De muur met aan de veldzijde een talud en een keermuur;
- Een voormuur met een achtermuur met daartussenin ‘wulven’
- De stenen bekleding aan de veldzijde van een aarden wal.
Hieronder geef ik een toelichting op deze acht typen. Wellicht zijn er nog meer typen, maar die ben ik vooralsnog niet tegengekomen. Mocht ik ze wel tegenkomen, dan vul ik dit artikel in de toekomst hiermee aan.
Type 1, de spaarbogenmuur

De spaarbogenmuur is het type stadsmuur dat we bij de meeste grote steden tegenkomen. Utrecht, Nijmegen, Maastricht, Amsterdam, Zwolle, Rotterdam en Haarlem hadden dit type muur rond hun bebouwing staan. Maar ook sommige kleine stadjes als Vianen, Zierikzee, Montfoort, Wijk bij Duurstede en Valkenburg hadden een spaarbogenmuur.
De spaarbogenmuur bestond allereerst uit de ‘schildmuur’, de muur die je zag als je van buiten de stad naar de muur opkeek. Achter de muur, dus aan de stadszijde, werd een bogenconstructie opgemetseld. Deze zorgde voor stevigheid en hield de schildmuur op z’n plek. De schildmuur zelf kon hierdoor relatief dun blijven. In vergelijking met een massieve, dikke muur zonder bogen (de type-2-muur), spaarde de bogenconstructie heel wat bakstenen en arbeidstijd, en dus geld uit. Bijkomend voordeel was dat de bovenkant van de bogenconstructie een wandelpad aan de bovenkant van de muur vormde, de ‘weergang’ genoemd. In plaats van spaarbogen wordt daarom ook wel over weergangsbogen gesproken. Vanaf de weergang hadden bewakers een goed uitzicht over het gebied buiten de muren.
Soms werden schildmuur en spaarbogen in één keer gebouwd, soms werd eerst de schildmuur gebouwd en werden de bogen er later, ‘koud’, tegenaan gezet. Onder andere in Harderwijk en waarschijnlijk ook in Gorcum en Kampen is hier sprake van geweest.[2] Dit kon zijn omdat de stad eerst een goede bescherming wilde hebben door middel van een muur en als er dan nog geld was, dan volgde de weergang. We zien dit onder meer in Leiden. De muur werd in twee fasen opgetrokken: eerst de op een brede funderingsvoet (125 – 145 cm) gemetselde schildmuur (een zéér luttele 36 cm dik), zodat de stad ten minste een verdediging had. Als er dan nog geld was volgden de spaarbogen. De grote kosten die dit met zich meebracht, leidde er toe dat op veel plekken de weergang nooit gerealiseerd werd. In Leiden is alleen de stadsmuur van de Witte Poort tot de Pelicaanstoren (daar is de stadsmuur ook een heel stuk steviger en dikker) en een deel van de Korte Vest langs het Galgewater van een spaarbogenconstructie voorzien.[3]
De boogwijdte, dus de onderlinge afstand tussen de spaarbogen, varieerde van stad tot stad en binnen een stad ook van locatie tot locatie. In Utrecht zat ongeveer 3 meter tussen de spaarbogen, in Kampen varieerde het tussen de 2,60 meter en de 3,60 meter en in Harderwijk bedroeg het maar 2 meter.[4]
Type 2, de massieve muur

De massieve muur had geen bogenconstructie, maar wel een weergang. We spreken van een massieve muur en niet van een schildmuur, dat is alleen bij de spaarbogenmuur. Als een bogenconstructie zoveel materiaal, arbeid en geld bespaarde, is de vraag waarom sommige steden hun muur dan in de massieve en dus dure variant uitvoerden. Het antwoord daarop kan zijn dat de muur extra dik en stevig moest zijn omdat deze tevens als keermuur van een rivier moest dienen. Een voorbeeld hiervan zien we in Venlo. Hier werd bij een archeologische opgraving tussen 2002 en 2005 een muur bestaande uit massief metselwerk opgegraven. De muur was uitzonderlijk dik, 2,75 meter maar liefst, en stond pal aan de oever van de Maas, waar het als scheidingsmuur tussen de grond en het water fungeerde.[5] Het moest de krachten van het stromende water van de Maas weerstaan en daar was een extra stevige muur voor nodig. Elders in Venlo was een massieve muur weer niet nodig en paste men dan ook weer de spaarbogenvariant toe, waar de schildmuur slechts 1,11 meter dik was. Ook in Gorcum is deze manier van werken aangetroffen: een deel van de muur was massief metselwerk, een ander deel had een spaarbogenconstructie.[6] Wat daar de reden was om plaatselijk een massieve muur toe te passen, is onduidelijk. Het type-2-muur is verder aangetroffen in Alkmaar en Zwolle.
Type 3, de niet-massieve muur, zonder spaarbogen

Dit type, een dunne muur zonder bogenconstructie, kwam voor in kleine plaatsjes als Gennep en Elburg (zie hieronder), maar ook bij grote steden als Leiden, zoals hierboven al is aangetoond. In plaats van een stenen weergang werd er wanneer dat nodig was, een houten weergang tegenaan gezet. De reden om voor een houten weergang, feitelijk een steigerconstructie, te kiezen kan veel te maken hebben met de kosten. Dat zien we in Zaltbommel: het Bommelse stadsbestuur had rond 1316, toen met de bouw van de muur begonnen werd, heel ambitieuze plannen. Hun stadsmuur moest een groots opgezet en prestigieus verdedigingswerk worden, inclusief spaarbogenconstructie. Door oorlogshandelingen belandde de stad slechts een paar jaar later al in financieel zwaar weer en moesten de plannen serieus teruggeschroefd worden. Een deel van de stadsmuur werd daarom zonder weergang uitgevoerd.[7] Ook kan het zijn dat de muur op een plaats stond waar toch weinig dreiging van te verwachten viel. Bijvoorbeeld omdat de grond buiten de stadsmuur erg drassig was, zodat een vijandelijk leger hier toch niet zou proberen aan te vallen.
De replica van de houten weergang in Elburg. Foto: Martin Deinum, 2025.
Wie een bezoek brengt aan het Gelderse Elburg, kan zo’n houten weergang zien. Het gaat hier niet om een originele weergang, maar om een reconstructie. In geval van dreigend gevaar werd de steiger tegen de muur aan gezet. Als de dreiging voorbij was werd de steiger weer gedemonteerd en droog opgeborgen. Wat wel zo verstandig is, een houten stellage die permanent in weer en wind buiten blijft staan, is al snel verrot.
Type 4, de muur met grondwerende functie

Type 4 kwam niet zo vaak voor, maar wel bijvoorbeeld in Zutphen. Langs de IJssel stond een stuk stadsmuur waarvan de weergang vanaf het maaiveld, mogelijk via een laag grondtalud, te bereiken was. De muur had geen spaarbogen, zoals elders bij de Zutphense stadsmuur wel voorkwamen. Deze muur had de functie van waterkering, net als type 2, alleen betrof het hier geen hoge muur aan de stadszijde. Hier was een groot hoogteverschil tussen het opgehoogde maaiveld binnen de muur en de oever van de IJssel buiten de muur.[8]
Type 5, de borstwering op een aarden wal

Type 5 is de simpele, relatief goedkope variant die we tegen komen in kleine stadjes die minder geld te besteden hadden, zoals Heukelum, Asperen en Arcen. Maar ook de grote stad Groningen had een dergelijke stenen borstwering. Hier ging het alleen niet om de dertiende-eeuwse stadsmuur, maar om het ‘aarden bolwerk’, dat rond 1470 rond de oude stadsmuur werd opgeworpen. Deze aarden wal was veel beter bestand tegen het nieuwe vuurgeschut dat in deze tijd echt verschil begon te maken.[9] De wal werd getooid met een stenen borstwering, waarvan het onduidelijk is of hier kantelen op stonden. De tijd van pijl en boog was aan het eind van de vijftiende eeuw echt wel voorbij, maar wellicht werd een bescherming voor de wakers achter de borstwering toch nog praktisch gevonden.
Naast deze vijf typen die Hein Hundertmark heeft onderscheiden, heb ik zelf nog drie andere typen muur gevonden.
Type 6, de muur met een keermuur aan de veldzijde en een talud daar tussenin.

Type 6 is een muur met daarvóór, aan de veldzijde, een lagere keermuur en tussen beide muren in een talud. In het Utrechtse stadje Rhenen zou hier sprake van geweest kunnen zijn van een stadsmuur waar aan de veldzijde een talud en een lagere keermuur stonden. Rhenen ligt op de zuidelijke helling van de Utrechtse Heuvelrug en kent grote hoogteverschillen. Mogelijk vanwege die hoogteverschillen, werd de stadsmuur aan de veldzijde ondersteund door een aarden talud. Dit talud werd op zijn beurt weer op z’n plaats gehouden door een keermuur.[10] Ik zeg ‘zou sprake van geweest kunnen zijn’, want het is ook mogelijk dat de keermuur in werkelijkheid de muur van een ‘dwingel’ was. Een dwingel is een tweede. lage stadsmuur, op enkele meters afstand aan de veldzijde van de grote stadsmuur. Waar dwingels rond Duitse steden redelijk vaak voorkwamen, kennen we van Nederlandse steden eigenlijk maar twee voorbeelden van steden met een dwingel: Arnhem en Deventer. Rhenen zou een derde voorbeeld kunnen zijn, maar dan hebben we hier dus niet met een apart type stadsmuur te maken. De historici zijn er nog niet over uit waar we nu precies mee te maken hebben.
Type 7, de voor- en achtermuur met wulven er tussenin

Van type 7 was sprake in Haarlem. Onderstaande foto toont de stadsmuur aan de Kinderhuisvest, aan de zuidzijde van de stad, tijdens de sloop in 1873. In de tweede helft van de veertiende eeuw werd dit stuk stadsmuur gebouwd, bestaande uit een voormuur van circa 7,5 m hoog en een achtermuur van circa 4,5 m. Tussen voor- en achtermuur lagen ‘wulven’, zeven meter brede boogvormige constructies, bedekt met aarde.[11] Meer voorbeelden van dit type muur ben ik tot nu toe nog niet tegengekomen.

( Foto is afkomstig van het Noord-Hollands Archief, Beeldcollectie van de Historische Vereniging Haerlem te Haarlem).
Type 8, de stenen bekleding van een aarden wal.

Een achtste type stadsmuur is de stenen bekleding van een aarden vestingwal. Toen in de zestiende en zeventiende eeuw de stadsmuur bij veel steden werd vervangen door een aarden wal, werd deze in sommige steden ook bekleed met een stenen muur. De bekende halvemaanvormige vestingwal van Amsterdam had zo’n constructie. Onderstaande tekening toont het deel bij de Leidsepoort, gezien langs de Singelgracht, van bolwerk Sloten (links) naar bolwerk De Schinkel met de Roo Molen (rechts) (tekening door D. Verrijk, 1750-1786, Stadsarchief Amsterdam). Hierdoor bleef de aarden wal beter op zijn plaats.

Het is niet mogelijk om voor alle Nederlandse steden die een stadsmuur hebben gehad, aan te geven in welke categorie hun muur valt. Voor veel kleine stadjes geldt dat er nauwelijks onderzoek naar de stadsmuur is gedaan en het daardoor niet bekend is welk stadsmuur het had. Maar ook naar de middeleeuwse muur van een grote stad als Groningen is maar weinig onderzoek gedaan.
Ik begon dit artikel met de opmerking dat stadsmuren in verschillende vormen en uitvoeringen kwamen. Zoals we al zagen was dit zelfs binnen een stad al het geval. We zagen hoe Venlo verschillende typen muur had, afhankelijk van de locatie en de functie van de muur en van de omstandigheden. Op de ene plek moest de massief zwaar en massief uitgevoerd worden omdat hij ook de grond moest keren, op een andere plek kon de muur lichter worden uitgevoerd. Maar ook de financiën speelden een rol, zoals we bij Zaltbommel en Leiden zagen. Stadsmuren werden vaak over een periode van vele decennia opgetrokken. Als er geld was werd er gebouwd, als het geld op was lag het werk soms jaren stil of werd de muur eenvoudiger uitgevoerd. Een stadsmuur was vaak een allegaartje van verschillende varianten, verschillende hoogtes en diktes, met weergang of zonder weergang, met torens op regelmatige onderlinge afstand of met delen zonder torens.
[1] H. Hundertmark, ‘De bouw en diversiteit van middeleeuwse stadsmuren in Nederland’, in: Stichting Bouwhistorie Nederland, Nieuwsbrief Bouwhistorie, nr. 64, 2018 (62-80).
[2] Over Kampen: T. van Mierlo, De verdedigingswerken van Kampen (voor de 15e-eeuwse stadsuitleg). Een reconstructie (ongepubliceerde doctoraalscriptie, Kampen, 1986) 78. Over Gorinchem: E. Mol, Gemeente Gorinchem (ZH). Een opgraving ter hoogte van de stadsmuur (Transect-rapport 1699, Nieuwegein 2019) 10. Over Harderwijk: D. te Kiefte, Geboeid door het Harderwijks verleden. Laatmiddeleeuwse bewoning, stadsversterkingen en een zestiende-eeuwse dwangburcht aan de Strandboulevard te Harderwijk (RAAP-Rapport 5407, Weesp 2023) 13.
[3] H.A. van Oerle, Leiden binnen en buiten de stadsvesten. De geschiedenis van de stedebouwkundige ontwikkeling binnen het Leidse rechtsgebied tot aan het einde van de gouden eeuw (Leiden 1975) 254, 264.
[4] Van Mierlo, 77.
[5] H.M. van der Velde (red.), Venlo aan de Maas: van vicus tot stad. Sporen van een Romeinse nederzetting en stadsontwikkeling uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd in het plangebied Maasboulevard, deel 1 (ADC Monografie 7/ADC Rapport 1000, Amersfoort, 2009), 336.
[6] Mol, 41.
[7] H. Hundertmark (red.), De versterkte stad Zaltbommel. 900 jaar beschermd door wallen en muren (Zaltbommel, 2016) 48.
[8] M. Groothedde, ‘Van straten, muren en poorten; archeologische waarnemingen bij rioleringswerkzaamheden en de opgraving aan de Waterstraat in Zutphen anno 1998 en 1999’, Bijdragen en Mededelingen Gelre XC, 189-221, aldaar 197.
[9] M. Schroor, Historische atlas van de stad Groningen. Van esdorp tot moderne kennisstad (Amsterdam, 2009) 15.
[10] R.N. Halverstad (red.), Overblijfselen van de stadsverdediging en vroegmiddeleeuwse bewoning te Rhenen, Binnenstad-Oost / Het Rhenense Hof. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven en een Archeologische Begeleiding (protocol opgraven) (ADC-rapport 3680, Amersfoort 2015) 21.
[11] E. Jacobs, Locatie “Kampersingel en Kamper-, Gasthuis- en Raamvest” te Haarlem. Eenbureauonderzoek (Archeologisch projectbureau Jacobs en Burnier 09044, Amsterdam 2009)7.