De geschiedenis van de stadsmuur
De geschiedenis van de stadsmuur
Afmetingen
Hoogte
Van een stadsmuur mag je verlangen dat deze zo hoog is dat potentiële indringers er niet eenvoudig overheen kunnen klimmen. Aan deze basisvoorwaarde voldeden echter niet alle stadsmuren. Zo ging het bijvoorbeeld fout in het Rotterdam van 1488. In de koude winter van dat jaar belegerde een troep soldaten tijdens de Jonker Fransenoorlog de stad. De aan de westzijde gelegen Coolvest werd beschermd door een stadsmuur die zo laag was dat een aantal soldaten, nadat ze over de bevroren stadsgracht waren gelopen, over de muur kon springen en zo de stad kon innemen.[1] Dan heb je natuurlijk niet veel aan je muur. De vraag komt dan wel op waarom de stad toestond dat sommige delen van haar vestingmuur zo laag waren. Was dat deel van de muur wellicht eerder bezweken en haastig weer opgebouwd tot een veel lagere hoogte? De verhalen vertellen het niet.
Maar ook buiten oorlogstijden kwam het voor dat individuen die ’s nachts voor een dichte stadspoort stonden, illegaal de stad in probeerden te komen door over de muur te klimmen (kennelijk nadat ze een nat pak in de stadsgracht hadden gehaald). Het stadsbestuur van Utrecht zette hoge boetes op het muurklimmen en beloofde ook iedereen te bestraffen die hielp door het aanreiken van een ladder.[2] Dergelijke strafbepalingen zouden niet zijn uitgevaardigd als het beklimmen van de muren nooit voorkwam.
Maar hoe hoog een stadsmuur moest zijn, daar had iedere stad zijn eigen gedachten over. Ook de situatie, de locatie en de financiële middelen waar een stad over kon beschikken, speelden een rol. De Duitse keizer Koenraad IV, heerser over de Nederlandse gebieden, had in 1238 nog bepaald dat een stadsmuur minimaal 18 voet (5,64 meter) hoog en minimaal 4 voet (1,25 meter) dik moest zijn.[3] De eerste, 13de-eeuwse stadsmuur van Maastricht had ook precies die afmetingen, de keizer kon hier kennelijk nog zijn gezag laten gelden.[4] Maar andere steden trokken zich niets aan van deze regel. Iedere stad maakte zelf uit hoe hoog de muur moest worden.
In onderstaand tabel heb ik de hoogtes van de stadsmuren van een aantal Nederlandse steden geplaatst.
| Stad | Hoogte in meters |
| Den Bosch | 7,5 |
| Utrecht | 10 |
| Zwolle | 11 |
| Lochem | 3-4 |
| Amsterdam | 5 à 6 |
| Nijmegen | 5 à 6 |
| Kampen | 8 |
| Amersfoort | 7 |
| Deventer | 7 à 8 |
| Oldenzaal | 8 |
| Zaltbommel | 5 |
| Haarlem | 7,5 |
| Edam | ca. 2 |
| IJsselstein | 4,5 |
| Gorinchem | 10 |
We zien hieraan dat een standaardhoogte voor een stadsmuur onmogelijk te geven is. En dan konden verschillende delen van de muur van een stad weer hoger zijn dan andere delen. Hooguit kunnen we zeggen dat veel muren in Nederlandse steden gemiddeld tussen de zes à acht meter hoog waren. Wellicht kan in het algemeen gelden dat kleine steden lagere stadsmuren bouwden dan grotere steden.
Lochem, een stadje met maar 600 tot 700 inwoners had ook maar een lage muur, 3 tot 4 meter hoog.[5] Van de stadsmuur die het kleine Edam in de eerste helft van de 16de eeuw bouwde, werd gezegd dat die ruim ‘een mans lengte’ was, dus misschien nog geen twee meter hoog.[6] Zo’n laag muurtje lijkt zinloos te zijn. Maar wie weet, het kan ook zijn dat die muren bovenop aarden wallen zijn gebouwd. Van zowel Lochem als Edam weten we dat beide stadjes al een aarden wal hadden voordat ze aan de stadsmuur gingen bouwen. Of de muur de wal verving of dat deze erop werd gebouwd is in beide gevallen onduidelijk. Het laten liggen van de wal en daar de muur bovenop bouwen klinkt wel als een logische zet. Zo bereikt het geheel van wal en muur toch een respectabele hoogte, ook al is de muur op zich niet zo hoog.
Het heeft natuurlijk ook met de financiële middelen te maken waar de stad over kon beschikken. Welvarende, rijke steden konden meer en hoger bouwen dan kleine stadjes met weinig financiële armslag. Naar de stadsmuren van veel andere kleine stadjes is vaak nauwelijks onderzoek gedaan, zodat niet te zeggen is hoe hoog de muren daar waren.
Hoge muren, we hebben het dan over muren met een hoogte van tien meter zoals Utrecht en Gorinchem die hadden, kwamen dus wel voor. Zwolle had een muur die gedeeltelijk zelfs wel 11 meter hoog was.[7] Maar dat waren uitzonderingen, het overgrote deel van de steden had een lagere muur.
Voor écht hoge stadsmuren moeten we over de grens kijken. Van Duitse steden zijn 12 meter hoge muren bekend, terwijl delen van de stadsmuur van Dubrovnik (Kroätie) 26 meter hoog waren. De 8ste-eeuwse muur rond het oude Bagdad (Irak) schijnt de 30 meter aangetikt te hebben.[8] Alexander de Grote schijnt in 332 voor Chr. voor een 46 meter hoge stadsmuur gelegen te hebben, toen hij de Libanese stad Tyrus belegerde.[9] Of deze laatste muur echt zo extreem hoog was, wordt zeer betwijfeld. Hoe dik moet zo’n muur wel niet zijn geweest? Als deze maar enkele stenen dik is zal de muur met zo’n hoogte ontzettend instabiel zijn. De muur van Bagdad schijnt dan ook aan de basis 44 m dik (!) te zijn geweest, bij een lengte van 6,5 kilometer.[10] Hoe lang moet het wel niet geduurd hebben om deze onvoorstelbaar dikke en hoge muren te bouwen en hoe hoog waren de kosten dan wel niet? Allemaal vragen voor nader onderzoek. Hoe dan ook, in de Noordelijke Nederlanden zijn zulke extreme hoogten in ieder geval bij lange na niet gehaald, met 10 à 11 meter zaten we hier wel aan de grens.
De hoge stadsmuur was met de komst van het kanon helemaal uit de tijd. Een rij kanonnen naast elkaar kon eenvoudig een bres schieten in de muur. Dan leverde een hoge muur alleen maar gevaar op voor de verdedigers van de stad, want: meer materiaal dat naar beneden kon vallen en verdedigers kon verwonden. Daarom zien we ook bij vrijwel alle steden dat in de 16de eeuw, vanwege de aanvallen door de Spanjaarden, de muur verlaagd wordt.
Dikte
Net zoals bij de hoogte varieerde de dikte van een stadmuur van stad tot stad en van muurgedeelte tot muurgedeelte. In het artikel over de verschillende typen stadsmuur heb ik al onderscheid gemaakt tussen de spaarbogenmuur (type 1) en de massieve muur (type 2). De schildmuur van type 1 die achter zich, aan de stadszijde, een spaarbogenconstructie had, kon relatief dun blijven. De spaarbogenconstructie zorgde voor de stevigheid van de muur. Een massieve muur had geen spaarbogen, maar was een blok massief metselwerk. Dergelijke muren werden waarschijnlijk alleen dáár opgericht waar dat nodig was, bijvoorbeeld daar waar ze ook als keermuur voor het water van een rivier moest dienen. Andere delen van de muur werden dan anders en dunner uitgevoerd.
Belangrijk was in ieder geval dat de muur het aanvalsgeschut van haar tijd moest weerstaan. De eerste stadsmuur van Amersfoort (1260 of 1270) was maar 6o cm dik, voor het geschut uit die tijd was een grotere dikte ook niet nodig.[11] Als er nauwelijks bedreiging door aanvalsgeschut te verwachten was, was er ook geen reden om de muur heel dik te maken. Zo redeneerde men ten minste in Den Bosch, waar de eerste stadsmuur (ca. 1200-1225) een meter dik was. De stad werd omringd door moerassig land, in het Bossche spreekt men ook wel van de ‘Moerasdraak’, waar zwaar geschut als blijdes toch niet kon komen.[12]
De tweede stadsmuur van Amersfoort (1380-1450) was grotendeels zo’n zeventig centimeter dik, maar langs de Krankeledenstraat, aan de zuidwestkant van de stad, slechts vijftig tot zestig centimeter. Gedacht wordt dat dit was omdat hier een driedubbele gracht lag, waardoor deze zijde al goed beschermd was. Maar ook kan meegespeeld hebben dat de dreiging vooral vanuit het ten oosten van de stad gelegen Gelre kwam. Daar moest de muur dik zijn, aan de westkant hoefde deze minder dik te worden.[13]
De muur die in Kampen langs de IJssel stond en aan het begin van de 14de eeuw gebouwd werd, was ook niet heel dik, slechts 65 centimeter.[14] Maar hier stonden dan weer de muurtorens dicht op elkaar, met een tussenafstand van slechts 30 tot 40 meter. Kennelijk werd erop vertrouwd dat vanuit deze torens een effectieve verdediging geleverd kon worden, zodat een dikke muur ook niet nodig was.

Op de plattegrond van Kampen die Jacob van Deventer rond het midden van de 15de eeuw maakte, is goed te zien dat aan de zijde van de IJssel veel meer muurtorens staan dan aan de landzijde. (Collectie Rijksmuseum)
Ook variërend in dikte was de ommuring van Nijmegen. Op de westelijke Waalkade, tussen de Meipoort en de Kreitspoort, stond een laat-13e-eeuwse muur die tussen de 110-120 centimeter dik was. De stadsmuur bij de Stratemakerstoren, dicht tegen de Waal, was dan weer 140 centimeter dik. Dat kan te maken hebben gehad met de grondkerende functie en de gronddruk van de voet van de Valkhofheuvel.[15] In Zwolle is een stuk stadsmuur ontdekt met een dikte van 3,36 m.[16] De reden waarom deze hier zo extreem dik was, is onbekend.
Naast praktische en militaire overwegingen speelden ook de financiële middelen een belangrijke rol bij de uitvoering van de muur. Om stenen – en dus geld – uit te sparen maakte een stad zijn muur beter niet dikker dan strikt noodzakelijk was. Financiële problemen konden murenbouwplannen danig in de war schoppen. In Leiden was de stadsmuur op veel plaatsen maar 36 centimeter dik, maar het plan was om er een spaarbogenconstructie met een weergang achter te bouwen. Dan zou de muur goed verdedigbaar zijn en hoefde deze niet dik te zijn. Door geldgebrek kwam het echter niet van een stenen weergang. In plaats daarvan moesten de bewakers maar op een ladder gaan staan die tegen de binnenzijde van de muur was aangezet. Erg veel animo schijnt hier onder de bewakers begrijpelijkerwijs niet voor geweest te zijn.[17]
De dunne muur zonder weergangsbogen van Leiden toont ook aan waarom muren hoogte en dikte goed op elkaar moesten worden afgestemd. Een hoge muur moet dik zijn, een lage muur mag dun zijn. Een dunne, hoge muur wordt instabiel als de gronddruk binnen en buiten de stad verschilt, waar bij Leiden sprake van was. Zo’n muur gaat overhellen naar de zijde waar de gronddruk het laagst is en kan omvallen als deze niet gestut wordt door steunberen. Dit schijnt in Leiden dus herhaaldelijk te zijn voorgevallen.[18]
Als laatste hierover: de graaf van Holland vaardigde in 1351 een verbod uit om kastelen te bouwen met een muurdikte van meer dan twee stenen dikte, dat is zo’n 60 centimeter.[19] Kastelen met dikkere muren golden als moeilijk inneembaar, lagere heren mochten niet op deze manier bouwen omdat ze anders een bedreiging vormden voor de graaf. Een dergelijk verbod dat van toepassing was op stadsmuren is niet bekend, maar of voor stadsmuren iets dergelijks gold is een mooi onderwerp voor nader onderzoek.
Lengte
Valt over de hoogte en de dikte nog iets van een gemiddelde te geven, over de lengte is dit niet mogelijk. Hoe lang een muur was hing helemaal af van de grootte van de stad. De muur van Utrecht was waarschijnlijk de langste muur van alle Nederlandse steden, met een lengte van 5 kilometer. De eind 15de-eeuwse muur van Amsterdam was 5 kilometer, de muur waar enkele jaren later in Rotterdam mee begonnen werd, was 3,2 kilometer, de eerste muur van Maastricht (1230-1300) was 2,5 kilometer lang, de tweede muur van Maastricht (bouw tweede helft veertiende eeuw) werd 4,6 kilometer lang. Kleine stadjes als Edam en Lochem hadden uiteraard een veel kortere muur, van net iets meer dan 1 kilometer (Lochem) en bijna 2,5 kilometer (Edam). Door de tijd heen kon de muur langer worden, als de stad een stadsvergroting onderging en de vestingwerken uitgelegd werden. Leiden heeft bijvoorbeeld meerdere stadsvergrotingen gekend en de stadsmuur werd iedere keer een stukje groter. Bij het bepalen van de lengte en het tracé van de stadsmuur kwam zoveel kijken dat dit een apart artikel rechtvaardigt, dat ik in de toekomst nog ga schrijven.
[1] W.W. Groenedijk, De laatmiddeleeuwse en vroegmoderne stadsverdediging van Rotterdam: Archeologisch, Historisch en Cartografisch onderzoek (1300 – 1940) (ongepubliceerde scriptie, Leiden 2020) 22 en 24.
[2] R. de Kam, De ommuurde stad. Geschiedenis van een stadsverdediging (Amsterdam 2020) 74.
[3] C. Schuchhardt, Die Burg im Wandel der Weltgeschichte (1931) 312.
[4] L.J. Morreau, Die Yseren Stadt Maastricht (Maastricht 1982) 20.
[5] F. de Zee, W. Klein, Lochem belegerd III. Een bedreigde stad (Zutphen 2-18) 9.
[6] D.M. Bunskoeke, C. Boschma-Aarnoudse, J. Sparreboom, Vestingwerken van Edam (Edam, 1998) 19.
[7] M. Klomp, Tussen de Swanentoerne en Voersterpoerte. De stedelijke ontwikkeling van het Rode Torenplein en de Jufferenwal (Archeologische rapporten Zwolle 2004) 11.
[8] https://www.theguardian.com/cities/2016/mar/16/story-cities-day-3-baghdad-iraq-world-civilisation
[9] https://www.worldhistory.org/article/107/alexanders-siege-of-tyre-332-bce/
[10] https://en.wikipedia.org/wiki/History_of_Baghdad
[11] R. Kemperink & B. Elias (red.) Bruit van d’Eem. Geschiedenis van Amersfoort I (Utrecht, 2009) 76.
[12] R. van Genabeek, E. Nijhof, F. Schipper, Stad op de schop. 40 jaar archeologisch onderzoek in ’s-Hertogenbosch (Den Bosch 2019) 122.
[13] H. van de Pol, ‘De stadsmuren van Amersfoort, ontwikkeling en herontwikkeling door de tijd’, Bulletin KNOB 3 (2021), 39-58, aldaar 41.
[14] Kolman, Olde Meierink & Stenvert bureau voor architectuurgeschiedenis en bouwhistorie, De stadsmuur van Kampen. Bouwhistorische documentatie. Muurdeel Koornmarktspoort – Meerminnenpoort (z.p. 1999) 5.
[15] H.F.G. Hundertmark, Naar het ideaal van Albrecht Dürer, de Stratemakerstoren. Bouwhistorisch onderzoek (Oss, 2011) 24.
[16] Klomp, 11.
[17] H.A. van Oerle, Leiden binnen de buiten de stadsvesten deel I Beschrijving ( Leiden 1975) 253.
[18] Van Oerle, 253-254.
[19] H.L. Janssen, J.M.M. Kylstra-Wielenga, B. Olde Meierink (red.),1000 jaar kastelen in Nederland. Functie en vorm door de eeuwen heen (Utrecht 1996) 16 en 251, voetnoot 6 bij hoofdstuk 1.