Leiden
Ontstaan
Leiden ontstond langs de Oude Rijn, op een kruispunt van waterwegen en landwegen. Ergens in de negende of tiende eeuw wierpen de eerste Leidenaren een negen meter hoge burchtheuvel, ook wel motte, op. In de elfde eeuw kwam daar een houten palissade op te staan die rond 1150 vervangen werd door een tufstenen ringmuur. Dit was de Burcht van Leiden zoals die nu nog bestaat. De bewoners van de nederzetting bij de burcht konden hier in tijden van gevaar samen met hun vee naartoe vluchten. Daarnaast had de graaf van Holland hier een hof of curtis, oftewel het bestuurscentrum en tijdelijke verblijfplaats bij hun rondreizen door hun gebied. In het hof stond de Gravensteen, een verdedigbare toren annex gevangenis. Naast Burcht en Hof kende de stad verder een kerk, de voorloper van de Pieterskerk.
Stadsrechten
Rond de Burcht ontstonden drie woonkernen, rond 1200 waren deze aan elkaar gegroeid tot een stadje. Als stichtingsdatum van de stad wordt 1204 aangehouden: het jaar waarin graaf Willem I opdracht gaf de nederzetting in staat van verdediging te brengen. Maar pas in 1266 kreeg de stad stadsrechten of beter gezegd: reeds eerder apart verleende stedelijke rechten werden bevestigd door graaf Floris V.
Aarden wal
Nog vóór 1250 werd een gracht gegraven: het Rapenburg (het westelijke deel) en het Steenschuur (het oostelijke deel). In het noorden sloot deze gracht aan op de Rijn. De aarde die uit de gracht kwam, wierp men op tot een aarden wal, bezet met een palissade en staketten. Twee poorten verleenden toegang tot de stad: de Noort- of (oude) Haagpoort en de Suyt- of Oostpoort, aan beide uiteinden van de Breestraat. Dit zullen houten poorten zijn geweest en begin 14e eeuw gebouwd zijn. Geschiedschrijver Van Oerle noemt in 1975 nog de Witte Poort aan de Vliet, maar later onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat deze poort nooit heeft bestaan.
Eerste stadsmuur – 1324
Door de gunstige ligging groeide de stad uit tot een regionaal marktcentrum. De stad werd pas echt groot dankzij de lakenhandel, het werd zelfs een van de grootste steden van het graafschap Holland. De bouw van een stenen stadsmuur is waarschijnlijk rond 1324 aangevangen. In 1372 is voor het eerst van een stadsmuur sprake. De muur liep tot de Rijn, waarlangs geen stadsmuur liep. De houten stadspoorten werden vervangen door stenen exemplaren. Er zijn geen tekeningen van bekend, het is onbekend hoe deze eruit gezien hebben.
Uitbreiding 1346-1355
De stad groeide zo snel, dat deze in tot zes keer toe moest worden uitgelegd, waarvan drie keer in de middeleeuwen. De eerste stadsuitbreiding vond plaats rond 1300 en trok het Waardeiland bij de stad. Dit leidde niet tot de bouw van een nieuwe stadsmuur, wel tot een nieuwe stadsgracht: de Hooigracht. Bij de tweede stadsuitbreiding, tussen 1346-1355 kwamen aan de noord- en oostzijde van de stad meerdere stukken land bij de stad: Marendorp in het noorden, Hogeland in het oosten, Hogewoerd in het zuidoosten en de voorstad Rapenburg in het westen. Rond deze uitbreiding verrees een nieuwe stadsmuur en vier nieuwe poorten: de Lopsen- , later Rijnsburgerpoort en de (oude) Zijlpoort, gelegen aan het westelijke respectievelijk het oostelijke uiteinde van de Haarlemmerstraat). De Costverloren- of Oude Hogewoerdspoort en de St. Jorispoort lagen allebei in de voorstad Hogewoerd. De Noortpoort en de Suytpoort bleven bestaan, hoewel de laatste binnen de stad lag en dus geen functie meer had.
Uitbreiding 1386-1462
Met de derde stadsuitleg, de laatste van de middeleeuwen, werd aangevangen in 1386. Het Nieuwland en het Rapenburg kwamen tot de stad te behoren. Daarna vormde de Witte Singel de stadsgrens. Twee nieuwe stadspoorten kwamen erbij: de Nieuwe Haag- of Witte Poort aan het westelijke eind van de Breestraat en de Koepoort aan de zuidkant van de stad, waar nu de Koepoortsbrug ligt. De Sint-Jorispoort en de Noortpoort werden hiermee overbodig en werden gesloopt. Een aarden wal sloot het gebied af van de buitenwereld, om pas veel later, eind 15e, begin 16e eeuw, vervangen te worden door een stenen stadsmuur. Iedere uitleg ging gepaard met het verleggen van de stadsmuur. Het stuk stadsmuur dat hierna zijn functie verloor werd gesloopt.
De stadsmuur kwam pas in 1462 klaar. Al in de jaren 1390 moet al met een vestwal begonnen zijn, maar met een stadsmuur duurde het nog heel lang. Oorzaak hiervan waren de oorlogstijden, de oorlogshandelingen van 1419 en 1420 slokten veel geld op en nadat er vrede gesloten was, was er veel geld nodig om alles wat was vernield, te herstellen. Daardoor bleef er lange tijd geen geld over voor een dure stadsmuur. In het westen van de stad duurde het nog langer.
De voorstad Rapenburg was in 1355 bij de stad gekomen. De Witte Poort kwam hier in 1426 en pas in 1482 werd aan het bouwen van de stadsmuur begonnen, 132 jaar na de stadsuitbreiding dus. Zelfs in 1524 is er nog sprake van de bouw van twee nieuwe muurtorens, bijna twee eeuwen later. Op de meeste plaatsen was al wel een stadsmuur gebouwd, maar aan de torens kon pas veel later begonnen zijn.
Beschrijving stadsmuur
De muur werd in twee fasen opgetrokken: eerst de op een brede funderingsvoet (125 – 145 cm) gemetselde schildmuur, slechts circa 36 cm breed. Het kan goed zijn dat de schildmuur met opzet zo dun was gelaten omdat men verwachtte dat er een spaarbogenconstructie met een achter zou komen te staan. Dit was aanvankelijk ook het plan, maar voor iedere meter aan muur waren 13.000 bakstenen nodig, vijftig miljoen voor de hele stadsmuur. De enorme kosten die dit met zich meebracht, leidde er toe dat de weergang uiteindelijk bijna nergens is gerealiseerd. Alleen het stuk van de Witte Poort tot de Pelicaanstoren, ongeveer 70 meter, en een deel van de Korte Vest langs het Galgewater, een afstand van wellicht 200 meter) is van een weergang voorzien.
De stadsmuur kende ook waterpoorten, of watergaten genoemd. Hierdoor konden de kleine platboomvaartuigen die groenten van het land naar de stad brachten, de stad binnenkomen. Grote schepen konden hier niet doorheen. Tussen de muur en de gracht lag een voorwal, begroeid met doornenstruiken.
De muurtorens lagen op een afstand van 24 tot 27 roeden, dus ca. 100 m, van elkaar af. Vijf stadspoorten staan afgebeeld op een kaart uit ongeveer 1549 van Pieter Sluyter, de landmeter van Rijnland. Deze werd gemaakt ten behoeve van een proces over de steenplaatsen, uit onderzoek is gebleken dat de stadspoorten natuurgetrouw zijn afgebeeld. Het waren zware poorten, geflankeerd door torens.
Zeventiende-eeuwse uitbreiding
Na de middeleeuwen volgden tot 1682 nog drie vergrotingen van de stad, waarbij het vestingstelsel verlegd werd. Dit waren geen stenen stadsmuren meer, maar aarden wallen volgens het Oudnederlands vestingstelsel. De middeleeuwse stadsmuur werd geleidelijk aan afgebroken. Alle middeleeuwse stadspoorten werden vervangen door nieuwe poorten. Deze bleven bestaan tot de 19e eeuw.
In 1610 werd de stad aan de noordzijde uitgebreid tot aan de huidige singels en de Oude Herengracht. Drie nieuwe poorten ontsloten de wal: Morspoort, Marepoort en Rijnburger- of Haarlemmerpoort. In 1644 volgde een kleine nieuwe stadsuitbreiding aan de noordzijde, waarbij het deel tussen de Herensingel, de Oude Herengracht en de Haven bij de stad werd getrokken. Twee nieuwe stadspoorten telde de uitbreiding: Herepoort en Zijlpoort. In 1659 werd de stad voor het laatst uitgebreid aan de zuidoostkant en kreeg het de omvang die tegenwoordig door de loop van de singels gemarkeerd wordt. Als enige nieuwe poort kwam de Hogewoerdspoort erbij.
Afbraak muur
Aan het begin van de negentiende eeuw waren de wallen en de poorten verwaarloosd, bouwvallig, duur in het onderhoud en geheel zonder enig militair nut. In 1816 besloot het stadsbestuur daarom alle wallen af te graven. Een groot deel werd in de decennia daarna omgevormd tot een groene wandelplaats. De stadspoorten bleven nog even staan omdat ze gebruikt werden als douanekantoortjes. Toen in 1866 de accijnzen werden afgeschaft, hadden ook de poorten geen nut meer. Tussen 1863 en 1867 verdwenen de Witte Poort, de Koepoort, de Herenpoort, de Marepoort, de Rijnburgerpoort en de Hogewoerdsbuitenpoort, in 1876 de Hogewoerdsbinnenpoort. Alleen de Morspoort en de Zijlpoort bleven behouden. Van de middeleeuwse stadsmuur is alleen de muurtoren Oostenrijk overgebleven.
Gebruikte literatuur:
H.A. van Oerle, Leiden binnen en buiten de stadsvesten. De geschiedenis van de stedebouwkundige ontwikkeling binnen het Leidse rechtsgebied tot aan het einde van de Gouden Eeuw (1975)
R.C.J. van Maanen (red.), Leiden, de geschiedenis van een Hollandse stad, deel 1 (Leiden tot 1574) en deel 4 (1795-1896) (2004)
M.E. van der Meijden, De Leidse middeleeuwse stadsverdediging. Een status-quo (ongepubliceerde doctoraalscriptie, 2005)
E. van der Vlist, ‘Mist over stad. Leiden tot 1200’, in: Vereniging Oud-Leiden, Leids Jaarboekje 2008 (2008)
A. Netiv, ‘Een stad op de drempel van volwassenheid. Leiden rond 1400’, in: Vereniging Oud-Leiden, Leids Jaarboekje 2008 (2008)
D.E.H. de Boer, ‘De ontdorping van de stad. Leiden rond 1300’, in: Vereniging Oud-Leiden, Leids Jaarboekje 2008 (2008)
A.J. Brand, ‘Leiden rond 1500; een pre-industriële stad onder spanning’, in: Vereniging Oud-Leiden, Leids Jaarboekje 2008 (2008)
R.C.J. van Maanen, ‘De “Witte Poort aan de Vliet”, de “Coninxwech” en de route naar Zoeterwoude’, in: Leids Jaarboekje 85 (1993)
Onderstaande afbeeldingen zijn alle afkomstig van de collectie Erfgoed Leiden en omstreken. Van de middeleeuwse Noortpoort, Suytpoort, Lopsenpoort, Costverlorenpoort en Sint Jorispoort zijn geen afbeeldingen bekend.
Middeleeuwse stadspoorten
Zeventiende eeuwse stadspoorten
Plattegronden en aanzichten
In 1675 tekende cartograaf Cristiaan Hagen de zogenaamde ‘Grote Hagen’, een enorm gedetailleerde plattegrond van Leiden. Onderaan de kaart tekende hij een aanzicht van Leiden vanuit het zuiden. Klik op de delen van de kaart om te vergroten.